Boekfragment

Ruth Knieper

De lucht voelt vochtig en de stilte op deze donkere avond geeft mij een ontspannen en vertrouwd gevoel. De meeste contouren en voorwerpen kan ik herkennen, zoals de veranda en de bloempotten die daar staan. Er is alleen een oranje lichtje dat ik niet herken. Ik word er helemaal door gefascineerd en ik probeer me te herinneren of ik dit overdag heb gezien. Het lichtje is voor het huis te zien, ter hoogte van de veranda. Een piepklein lampje kan het niet zijn. En het licht van een zaklamp lijkt me ook niet, want er komt geen straal licht uit. Het is een klein puntje dat zich af en toe verplaatst, maar wel elke keer volgens een vast patroon. Een vuurvliegje misschien? Ik heb die insecten nog nooit in het echt gezien, dus het zou zo’n beestje kunnen zijn.

 

Terwijl ik daar gefascineerd en ongegeneerd sta te staren naar het lichtje hoor ik opeens een kuch. Zo ontspannen als ik net nog stond, zo verstijfd ben ik nu. De paniek giert door me heen, alle alarmbellen gaan af. Waar kwam die kuch vandaan?

Het wordt me heel snel duidelijk. Het lichtje waar ik zo gefascineerd naar heb gekeken was van een sigaret en die kuch is van een mens. En ik sta maar een meter of drie van die persoon af. Zonder beschutting en zonder vluchtplan.

Heb ik net lawaai gemaakt? Heeft die persoon mij gespot? Ik probeer de contouren van de persoon te zien en nu ik doelgerichter kijk herken ik er een man in. Nu lukt het me wel, fijn moment heb ik daarvoor uitgekozen! Als ik dat nou tien minuten geleden had geweten.

Het moet Marcel wel zijn. Ik kan geen gezichtsuitdrukking of andere details van hem zien, ik zie enkel dat er iemand zit die groot en stevig van postuur is, groter dan Ingrid.

Ik sta nog steeds stil en denk hard na over wat ik moet doen. Nu teruglopen zou de aandacht op me kunnen vestigen en aangezien er nog niets gebeurd is, zal hij me waarschijnlijk niet hebben gezien. Dat hoop ik althans. Stilstaan en niet bewegen lijkt me nog steeds de beste optie. De sigaret zal toch een keer op zijn en dan zal hij snel weer naar binnen gaan. Zolang ik mijn adem onder controle heb en ik maar geen jeuk krijg of moet hoesten, dan gaat het goed.

Ondertussen vervloek ik mezelf. Niet alleen omdat ik mezelf met mijn stomme nieuwsgierigheid in gevaar heb gebracht en hiermee ook Ingrid, maar vooral omdat ik door mijn eigen gedachten jeuk oproep. Het ontstaat bij mijn kuit, een plek waar ik niet stiekem en gemakkelijk kan krabben. Ik dwing mezelf mij op andere dingen te richten en zo komt mijn ademhaling in mijn belangstelling te staan. Doordat ik er zo op let, wordt het steeds lastiger om het zo zachtjes mogelijk te doen.

Ik probeer te ontspannen, want straks sta ik hier nog te hyperventileren of te hijgen als iemand met bronchitis, wat zeker de aandacht op mij zal vestigen.

Streng spreek ik mezelf toe om vooral niet te letten op mijn ongemakken, maar enkel te kijken naar de schim die nietsvermoedend voor me zit. Het blijft voornamelijk bij mezelf toespreken, want er naar handelen lukt me nog niet. Er is een ware strijd gaande in mijn hele lichaam en geest.

Het oranje lichtje maakt nog steeds dezelfde beweging, dus Marcel zal vast nog lekker genieten van zijn sigaret. Hij wel, is er in elk geval iemand van ons die geniet.

 

Copyright © Ruth Knieper